Koppen meten

Auteur: Gepubliceerd op: 
Beschouwing

Eenieder die de film Django Unchained heeft gezien - voor diegenen die dat nog niet hebben: doen. Bij deze is het een bevel - weet dat de schedel van zwarte mensen drie duidelijke putjes heeft in het gebied dat correspondeert met serviliteit. Bij een Isaac Newton of een Galileo Galilei zouden deze hobbeltjes zitten in het gebied dat verantwoordelijk is voor creativiteit, intelligentie en vindingrijkheid. Omdat de negroïde mens nou eenmaal niet op intellectueel talent, maar op uitmuntende dienstbaarheid is ingesteld, is een bepaalde raciale rolverdeling gerechtvaardigd. Slaaf en meester zijn tot hun lot gedoemd door de wetenschap.

Althans, zulke argumenten werden aangedragen door de mafkezen die het normaal vonden om hun medemens te bezitten en op de plantage te werk te stellen. Zulke perverse praktijken met de ‘minder ontwikkelde rassen’ probeerden slavendrijvers te rechtvaardigen door zich te bedienen van de pseudowetenschap die frenologie heet. Gebaseerd op de constatering dat het brein de menselijke geest huisvest, probeerde de frenologie (phren = geest, logos = leer) op basis van de bouw van de schedel (en dus de daaronderliggende hersengebieden) aspecten van persoonlijkheid en gedrag te verklaren.

Aristoteles kwam al met het idee dat de hersenen de zetel van de geest zijn. Door de eeuwen heen werd er echter weinig onderzoek gedaan naar de werking van deze bloemkool des levens. Uiteindelijk kwam men erachter dat als je met daarvoor bestemde voorwerpen iemands hoofd flink mutileert, dit repercussies kan hebben voor  cognitieve functies. Met andere woorden: sla je iemands kop in op het slagveld en heeft meneer de pech dit te overleven, kun je vaak heel verschillende eigenaardigheden aan zijn gedrag bemerken. Iemand waarbij je de frontaalkwab sloopt gaat pissen in de plantenbak, iemand waarbij je goedendag op het achterhoofd is terechtgekomen, maakt goede kans op blind te worden.

Zoals met alles wat te onderzoeken viel, kreeg men in de late achttiende eeuw langzaam meer interesse in de werking van het brein. Sentimenteel gelul van de Kerk of van filosofen werd aan de kant geschoven: het werd tijd voor keiharde wetenschap. De Duitse arts FranzJosef Gall probeerde als één van de eersten de verschillende breinfuncties aan hersengebieden te koppelen. Zijn methode, cranioscopie, kennen we allemaal wel: het opmeten van de schedel met allerlei rare, pijnlijk uitziende werktuigen. Bepaalde maten zouden corresponderen met onderliggende hersendelen.

Centraal in de frenologische theorie was de aanname dat het brein niet één homogene brei was, maar een collectie van kleine orgaantjes die ieder een klein deel van onze cognitie voor hun rekening namen - en dat de grootte van verschillende onderdelen aangaf hoe sterk de functie was. Omdat de schedel over de hersenen verbeent tijdens de jonge kinderjaren, kun je de relatieve grootte van verschillende hersendelen aan de schedel afmeten. Frenologen zoals Franz-Josef schreven volgens bovenstaande methoden vele boeken en artikelen en elk stukje schedel (en brein) kreeg wel een functie toebedeeld.

Frenologie kreeg steeds een wijder publiek en, hoewel niet volledig geaccepteerd door de wetenschap, kreeg het een plekje in de samenleving. Omdat deze praktijken eindelijk een andere manier gaven om de aard van ons bewustzijn te bestuderen dan de filosofie, bemoeiden vele gerespecteerde wetenschappers zich met het vakgebied, waaronder veel artsen. Ook het plebs mocht meedoen: omdat het hip was om je met wetenschap in te laten, werden er massaal pamfletjes en andere zooi gedrukt met allerhande informatie en doe-het-zelf-tips.

Uiteindelijk kreeg de frenologie toepassingen. Slechtlerende kinderen hadden een disbalans tussen de hersendelen en kregen de schedel opgemeten. Door de onderontwikkelde delen sterk te oefenen, zou er compensatie en dus verbetering optreden. In de criminologie hielp de frenologie voor het eerst de transitie te maken van retributie naar rehabilitatie: misdadigers hadden gewoon de pech vergote hersengebieden voor agressie te hebben of waren juist de ongelukkige eigenaar van een onderontwikkeld gebied voor moraliteit. Door een strak regime met beloningen en straffen te ondergaan, werd gepoogd de vooral ongeschoolde en kansarme Victoriaanse criminelen weer het rechte pad op te krijgen. Als ze geluk hadden tenmiste, want de lobotomiemeneer stond altijd te popelen om het een en ander te slopen.

Vroeg of laat trok de frenologie ook de aandacht van antropologen. Toen werd het interessant. Het Europese ras werd de gouden standaard voor de kenmerken van de ontwikkelde mens. Zwarte en andersoortige inheemse bevolkingen werden als onbeschaafde rassen bestempeld. De verklaring werd gegeven door een afwijkende schedelvorm. Het ene ras had een te klein gebied voor intelligentie, het andere ras - bijvoorbeeld de Maori – had geen kwab voor cultuur. Uiteindelijk bleek alleen het blanke volk in staat om alle vereiste deugden voor maatschappelijke verheffing en ontwikkeling te verenigen. Andere, ‘achterlijke’ volkeren waren dan weer goed in andere dingen - zoals in de mijnen werken en bevelen opvolgen. Op deze wijze werd de frenologie - ooit begonnen als oprechte poging om de geest te beschrijven - omgevormd tot een verkapt smoesje om het blanke plantagehoudersgeweten te sussen, terwijl de negerslaven thee inschonken en het harde werk deden. Interessant is dan weer dat er frenologen waren die de veronderstelde voordelen van het negerbrein met die van de bleekscheet wilden combineren: door als het ware de twee rassen te kruisen kon men van twee walletjes eten.

Vanaf medio negentiende eeuw begon het toch op te vallen dat de hele frenologie eigenlijk nergens op gebaseerd was. In het begin was dit niet eens zozeer omdat het bewijs wankelde: het begon al met het feit dat de frenologen het maar niet eens konden worden over de hoeveelheid hersenorganen (tussen de twintig en de oneindigheid), laat staan over de specifieke functie van elk kwabje. Toen men uiteindelijk breinen ging bekijken en selectief gyri ging slopen om te kijken wat de reactie was, kwam men erachter dat de respons meestal totaal niets te maken had met wat de frenologen voor functie hadden toegekend aan de regionen. De academische gemeenschap kreeg door dat frenologie een pseudowetenschap was en rond de volgende eeuwwisseling was de frenologische koek op.

Er stak nog wel eens een wetenschapper van het een of ander de kop op, meestal een criminoloog, met op frenologische leest geschoeide denkbeelden, maar eventueel succes was altijd van korte duur. Toch vind je nog rare uitschieters: nog in de jaren ‘30 van de afgelopen eeuw gebruikte de Belgische overheid frenologisch ‘onderzoek’ als bewijs dat de Tutsi’s in Rwanda superieur waren aan de Hutu’s. Op deze manier rechtvaardigden ze de praktijk dat ze de Tutsiminderheid de macht gaven over de Hutu-meerderheid - iets wat natuurlijk volledig is misgegaan toen de Belgen weggingen.

Hoewel op zichzelf volledige onzin en misbruikt om gedragingen van op zijn minst discutabele morele basis goed te praten, heeft de frenologie wel zeker bijgedragen aan de wetenschap. De anatomie van de hersenen en de rest van het zenuwstelsel zijn netjes uitgezocht en uitgetekend. Dat de verkeerde functies aan verschillende onderdelen zijn toegekend, doet niet af aan het feit dat de neurologie en anatomie gebaat zijn geweest bij alle aandacht voor het brein. Bij nauwkeurig onderzoek naar frenologische aanknopingspunten voor gedragsstoornissen, is de psychologische en psychiatrische kant van de aandoeningen ook nauwkeurig in kaart gebracht. Ten slotte heeft de frenologie een begin gemaakt met het bespreekbaar maken van de aanwezigheid van structurele afwijkingen in het zenuwstelsel, dan wel geconditioneerde gedragspatronen als basis voor criminaliteit.

Frenologie: op het eerste gezicht een bizar waanbeeld, die bij nadere inspectie de wetenschap verder blijkt te hebben geholpen.

Disclaimer: de eerste alinea zal sommigen onder u doen schrikken. Veeg de politiek correcte traantjes van uw onschuldige gezichtje af: ik ben, net als hopelijk jullie, gewoon overtuigd van de fundamentele gelijkwaardigheid tussen elke individuele mens. Racisme dan wel xenofobie is – hoewel mijn stukjes u soms anders doen vermoeden – niet aan mij besteed. Wat betreft de drie putjes in de schedel van onze zwarte medemens: is natuurlijk niet meer dan Quentin Tarantino’s versie van negentiende-eeuws racisme.