Eindelijk een grote jongen

Auteur: Gepubliceerd op: 
Co-column

U dacht heel even dat dit weer een co-column was. Dan moet ik u teleurstellen. Sinds eind januari mag ik mij eindelijk dokter noemen en dat doe ik bij deze dus ook even nadrukkelijk. Zo ook in de column in dat blaadje wat u voornamelijk op het toilet leest. Als u daar dan toch als ‘de Denker’ van Rodin op het porseleinen gemak zit en zich tussen de weeën afvraagt: ‘Is het een grote overgang van co naar arts-assistent?’ dan verlicht ik u met liefde. Nu, beste lezer, het antwoord is nee. Je doet als dokter hetzelfde als coassistent, maar dan op grotere schaal en met heel veel regeldingen erbij die toch door jou geregeld moeten worden omdat ze je er immers voor betalen.  

Voor mij is dat wel het adagium van de afgelopen weken: ‘Regel het maar’. Mijn probleemoplossend vermogen wordt uitvoerig getest: ‘hier heb je een probleem, los het maar op.’ En dan niet eens op medisch inhoudelijk vlak. Het hele proces van taakjes afhandelen en het ontdekken van de logistiek in het ziekenhuis (‘Wie moet ik waarvoor bellen en wanneer?’) is op dit moment nieuwer voor me dan het medisch inhoudelijke. Een collega beschreef de eerste weken van een nieuwe baan in het ziekenhuis als volgt: de eerste drie weken denk je dat je dood gaat, de tweede drie weken wil je dat dat je dood gaat en daarna begint het een beetje te komen. Ze heeft groot gelijk. Als de cursus en de inwerkperiode voorbij zijn sta je er alleen voor. Alles komt op je af en naast dat je patiënten moet zien en allerlei zaken voor hen moet regelen moet je zelf ook nog in leven blijven – het eten van een royale hamkaastosti zoals tijdens de coschappen is helaas verleden tijd.

Zeg Tom, heb je daar geen stress van? Ik had verwacht dat ik daar veel last van zou hebben, maar de praktijk is dat ik het daar te druk voor heb. Hoe druk? Ik kan dit voor mezelf zichtbaar maken aan de hand van de hoeveelheid stroom die ik nog over heb in mijn telefoon aan het einde van de dag. Als ik destijds een rustig coschap had, dan had ik aan het eind van de dag minder dan 20% over, kortom, ik had die dag geen zak uitgevoerd. Op een coschap waar ik meer te doen had zat het percentage zo rond de 70%. Om een beeld te geven: de accu zit aan het einde van de dag geregeld boven de 90%  omdat ik nooit meer op mijn telefoon kan kijken. Dat is wel even een verschil.

Een andere nieuwe taak als arts-assistent is het begeleiden van coassistenten. Het is erg leuk om het verschil te zien tussen alle coassistenten – de een is een uur bezig met een patiënt – de ander is zo klaar. De een schrijft te weinig op, de ander (lees: de meesten) beschrijven de kleur van de pantoffels die de patiënte droeg toen ze uitgleed en haar heup brak. Het grappige is dat het zó herkenbaar is. Ik heb dit precies zo gedaan en zie nu eindelijk welke informatie relevant is, en welke niet. Maar daar houdt het niet op, ik mag nu ook coassistenten een beoordeling geven – wat een feest als weer een linkje van Scorion in mijn mailbox vind. Ik moet zeggen, van de andere kant is het programma een stuk gebruiksvriendelijker dan voor de coassistenten (wat heb ik dat onoverzichtelijke programma gehaat). Maar goed, die beoordelingsformulieren die vul ik natuurlijk braaf in, voorzien van commentaar volgens de Pendleton rules.

Zo teruglezend komt er nogal wat bij kijken, gelukkig betalen ze me ervoor. En hoe. Dat is toch een van de fijnste dingen van het dokter-zijn. Je noeste arbeid betaalt zich uit in keiharde euro’s – van de schrale loon van Donald Duck naar het fortuin van Dagobert Duck, al komt dat voornamelijk doordat ik door mijn werk geen tijd meer heb om het uit te geven. Als ik daar straks wel tijd voor heb dan wordt dat denk ik eerst eens een nieuwe bluetooth speakerset – eindelijk eens films kijken met fatsoenlijk geluid. En u beste lezer, wat gaat u kopen van uw eerste loon?